
U heeft het allemaal wel eens mee gemaakt dat er een rotte appel in de fruitschaal lag. Laat u echter die rotte appel liggen dan weet u zeker dat de rest van die fruitschaal ook wordt aangetast. Dus wat moet u doen om de rest te redden van de ondergang? U moet deze appel zeker uit de groep verwijderen. Nee u mag dus niet gedogen dat die appel blijft liggen, immers hij zal heel de groep op die mooie fruitschaal aantasten.
Gaat het zo ook niet vaak binnen de gemeente van Christus? Laten we eens 1 Kor.5 lezen. Daar laat Paulus op een radicale wijze zien wat de zonden binnen de gemeenten zijn.
Er is binnen de gemeente van Corinthe een lid, die seksuele omgang heeft met zijn eigen moeder, wat zelfs onder de heidenen niet voorkwam.
De gemeente had zeker weet hiervan, maar zei er dan ook, om de lieve vrede maar niets over. Zij wilden de bedrijver van deze zonde niet uit hun midden weg doen. Hij zal zeer zeker een trouwe kerkbezoeker zijn geweest, die ze eigenlijk niet konden missen.
Paulus zegt; als jullie vergaderd zijn, ,dan zal ook ik met mijn geest bij jullie zijn. Dan zullen we de man overleveren aan de satan, tot verderf van zijn vlees, zodat zijn geest wordt bewaard.
Wat bedoelde Paulus hier nu mee? Hij zegt we zullen de man buiten de gemeente moeten plaatsen, doch zonder hem te veroordelen. Hij moet door de gemeente worden teruggezet waar hij vandaan kwam. Paulus laat zien dat God vol liefde is, voor iedere zondaar. De mens kan wel terug vallen in oude gewoonten en zonden, maar deze persoon blijft een kind van God. God zal de persoon zeker niet loslaten. In vers 5 zegt hij dan ook." opdat zijn geest behouden zal worden." Juist hier is het constante gebed van heel de gemeente nodig. Dat ook hij zal wederkeren tot de gemeente, na zijn zonden en schuld beleden te hebben. Hij wordt dus aan zijn oude leven overgeleverd, maar als gemeente zullen wij ook onze schuld moeten belijden.
Die rotte appel in de gemeente had die gemeente reeds goed aangetast.
Paulus wijst hen er op dat hij zelf de gemeente reeds eerder gewezen had dat ze niet moesten omgaan met hoereerders uit deze wereld. Is dit hoereren niet gelijk als een voorbeeld, dat leden van de gemeente het oude leven toch niet achter zich konden laten? Zegt hij ook niet in vers 2 "En je bent opgeblazen in plaats je te bedroeven, vier je ook nog eens feest".
Hij zegt heel nadrukkelijk, Jullie roem deugt niet, weten jullie dan niet dat een weinig zuurdeeg het gehele deeg zuur maakt? En gaat hij verder met gebakken brood wat besmet is, kun je geen goed brood bakken. En dus ook niet een feest vieren.
Nee, we zijn allen erg trots op onze gemeente waar we bij horen. We hebben het al druk genoeg met het aankleden van ons kerkgebouw, met ons werken voor de Heer. We zeggen dat al snel,"ach we moeten ons niet zo druk maken over die ene rotte appel God zal er wel zorg voor dragen dat de andere appels in de gemeente niet worden aangetast."
En is dit in de gemeente niet de grote fout en de zonde, waar Paulus steeds op wijst? Door tolerantie van al die vreemde goden uit het maatschappelijk gebeuren, kan men blijkbaar de kerken en gemeenten weer vol krijgen. Men is vaak zo blind en doof geworden voor de waarschuwingen binnen, maar ook buiten de gemeenten. Door het vele harde werken, verstaat men niet meer Gods Stem, en heeft men geen tijd meer om de bijbel, Gods Woord, te lezen. Men is door die geweldige tolerantie van de zonden, horende doof en ziende blind.
Kamerling was zeker niet blind en doof voor Gods Woord. Nadat Filipus hem had onderricht, dus hij was niet doof, riep hij uit "zie daar is water wat verhindert mij om gedoopt te worden.
Zijn wij allen nog wel als een Filippus? Gaan wij ook naar de woestijn van de ellende van anderen om hen te wijzen op de liefde en de vrijheid welke hen door Jezus is aangeboden?
Wilt u verder praten dat kan. Zie contactgegevens.
