S.O.S. Signaal
Internetpastoraat

Besnijdenis, kinderdoop of volwassen doop?

Geschiedenis van de besnijdenis.

Als we over besnijdenis spreken,dan moeten we  toch eerst weten waar de bakermat van de besnijdenis ligt en de betekenis er van kennen.  

De mens van na de zondvloed had geen vaste stee,men bleef maar van de ene plaats naar de andere trekken. Ze waren nomaden. Deze rondtrekkende mensen gingen zich op meer vastere plaatsen vestigen en bouwden daar steden. Gen. 10:10 laat ons zien de streek waarin zich zo’n groep mensen  zich gingen vestigen.  

In vers 9 van dat hoofdstuk lezen we dat Nimrod  met geweld de stichter te zijn van Babel aan de Eufraat is geworden. De mens leefde geheel onder de zonde van het schizofrene denken en leven. Zo geloofde men wel in God de Schepper,maar men ging andere goden aanbidden.  

Zeer vroom denkend,maar toch wel gericht  op de eigen verworvenheden ging men een stad bouwen,met daarin een toren die zou reiken tot in de hemel. Doch deze toren was slechts een tempel om de eigen verworvenheden en vreemde goden te gaan aanbidden. Deze tempel,een zugarat was geworden tot een offerplaats voor hun  vreemde goden,

Dit alles ging God toch te ver. Het was God zelf die hier ingreep en de mens voor straf  over de gehele aarde verstrooide en dat ze elkander niet meer zouden kunnen verstaan. God stond niet toe dat er tempels en offerplaatsen werden gebouwd,voor goden welke de mens zelf  bedacht had.  

De naam Babel heeft dus alles te maken met verstrooiing van de mens,maar ook met macht. Immers dwars door de bijbel Gods  Woord komen we steeds weer de naam Babel of Babylon tegen.  

En deze snel groeiende godsdiensten ter ere aan de eigen gevormde goden was te danken aan Nimrod die een directe afstammeling van Noach was. Deze was zo op macht belust dat hij het was die de rechten als god op zich nam.  

Het verhaal is er dat toen deze Nimrod stierf zijn moeder,wat tevens zijn vrouw was,het verhaal van de opstanding van god Nimrod verkondigde. Zij vond een dode boomstronk en even later,zag ze uit die zelfde boomstronk een geheel nieuwe groeien welke altijd groen bleek te zijn.(dus een dennen 0f kerstboom) Om deze opstanding  ieder jaar te gedenken deed men dit op waar onze kalender op 25 december staat. Dit werd dan het kerstfeest,het feest ter ere en geboorte van Nimrod gevierd. Het werd een direct economisch feest, wat de rijkdom van de machthebbers stimuleerde.

Doch door die verstrooiing heeft die zelfde mens wel de vreemde goden welke ze in het land Assur dienden mee genomen,maar nu een ieder met zijn eigen specifieke taal. De zelfde riten en cultus vieringen zien we over geheel de aardbodem. Een bekend is de kerstman die op een arrenslee door de lucht vliegt en geschenken mee brengt voor alle mensen. De midwinterfeesten in de Saksische landen etc spelen een belangrijke rol in het dienen van die vreemde goden. De gehele wereld is komen te liggen onder de invloeden van het Babylonië van uit de oudheid.  

Laten we hier ook niet vergeten te noemen het land Egypte. Ook deze bevolking heeft uiteindelijk haar wortels in Assur. Ook hier ontdekken we het dienen van vreemde goden en ook heel speciaal de besnijdenis en het kinderoffer het welk wij kennen vanuit het verhaal van Abram.

Door de rituele handelingen ter ere van al de nieuwe vreemde goden werden er ook kinderoffers aan die goden gebracht. Het kinderoffer kon bestaan uit o.a. het hartje te verwijderen wat altijd op de achtste dag na de geboorte plaats moest vinden. Ook was het een kinderoffer door de besnijdenis van de voorhuid toe te passen. Dit moeten we meer zien als een reinigingsritueel. Dus ongeveer op deze wijze heeft ook hier de besnijdenis van pas geboren jongens de intrede kunnen doen.  

En dat houd dan wel in dat het besnijden van het kind een offer was aan de goden.

De besnijdenis; Het Verbond van God met ABRAM?

In Gen. 17 sluit God een verbond met Abram. Toch zullen we ons de vraag moeten stellen of dit gedeelte er later niet is bijgevoegd. Immers Abram leefde nog geheel onder de invloeden van het volk waaruit hij was voortgekomen. Hij kwam uit het land Ur der Chaldeeën. Hij was reeds voor de ons bekende roeping uit Gen 12 reeds onderweg naar het land Kanaän en woonden tijdelijk in Haran. Zeker God heeft Terah de vader van Abram gebruikt om juist Abram voor te bereiden om als een apart gezet volk te gaan leven. Ook mogen we niet vergeten dat de familie van Abram leefden als rondtrekkende stam,het welk steeds onderweg was en Terah had het plan om zich voorlopig te vestigen in het land Kanaän. En Abram geeft gehoor aan de roeping(terwijl hij reeds onderweg was)  

Gezien in het licht van het dienen van vreemde goden en de daaraan verbonden besnijdenis moeten wij ons wel afvragen of  

het verhaal van Gods verbond met Abram in Gen 17  over de besnijdenis de verzen 9- 27  wel een deel van het verbond is ?  

Het is immers een geheel ander verhaal. Zou het ook een verwijzing kunnen zijn naar de goden welke Abram in Haran had aanbeden?In de verzen 1-8 dat het God was die een eeuwig verbond met Abram sloot. Abram was anders, hij was apart gezet door God zelf. In Haran, zo bleek kon hij niet altijd op die goden rekenen .Laten we nimmer vergeten dat ABRAM UIT EEN MEER GODENDOM is voortgekomen en nu gekomen is  tot het Monotheïstisch geloof. De schrijver laat duidelijk de woorden horen van “IK ZAL MET U EN UW ZAAD” een verbond oprichten. Zien we hier niet de bekering van Abram tot de Schepper God? Vers. Toen wierp Abram zich op zijn aangezicht. Toen hij dit had gedaan kon God tot hem spreken.

Als ik de perikoop  “Instelling van de besnijdenis lees”dan zou men kunnen zeggen, dat de mens met God het verbond zou hebben aangegaan,inplaats andersom .Immers Abram leefde als een nomade waar het besnijden een normaal ritueel was.Hij zou teruggrijpen naar zijn oude  leventje. Was het hier niet de oude stem welke tussen zijn oren tot ontwikkeling kwam die zich voordeed als een engel of nog beter gezegd als God zelf?Was het niet de stem van de satan welke zich hier voor deed als God de Schepper? Moeten we dit gedeelte niet lezen bij Gen 22 waar God Abram zijn geloof op de proef stelde?Ook hier bleek het een hersenschim van Abram te zijn welke gedachte hij ook hier niet geheel los had gelaten. God kwam hier wel zeker tussen beide en riep Abram een halt toe.

Was het niet God zelf die Abram leerde dat na die ontmoeting in Haran en nu hier bij de tent,en bij de offerplaats van e vreemde goden, hij en al zijn nakomelingen een geheel apart geplaatste in de wereld zouden  zijn? Die besnijdenis aan de goden,was zeker niet een apart plaatsen van Abram en het volk Israël. In heel de wereld werd reeds het rituele gebeuren van de besnijdenis toegepast. Dus die besnijdenis was niet uniek.

In heel het midden oosten van die tijd werden goden aanbeden en aan hen offers door besnijding gebracht. Aan deze goden offerde men de voorhuiden van de kinderen,als een teken van een verbondsluiting tussen de god en de mens.  

De besnijdenis van kinderen  was vooral als een offeren van kinderen een geheel legitieme zaak voor de mensen in die tijd.

Zeker het besnijden had ook een hygiënische gedachte in zich.  

De besnijdenis had een duidelijke fundamentalistische rol om de mens aan te binden aan die vreemde goden.  

Ook volwassenen werden besneden(ook in deze tijd in Nederland  worden mannen(veelal operatief tot het Moslim geloof toegelaten door de besnijdenis)Ook in het oude Egypte zien we de besnijdenis van mannen die op de één of andere manier als slaaf of emigrant  tot het volk van Egypte en dienaars van de Farao’s werden.

De geschiedenis van de besnijdenis bij het joodse volk in de woestijn.

De laatste besnijdenissen had het volk van God ondergaan en beleeft in het land Egypte. Veertig jaar was er geen besnijdenis geweest. Immers bij de berg Sinaï had God zelf het heft in handen genomen en hen de belofte van het eeuwig durende verbond gegeven,dit als een herhaling van heet verbond met Abram.  

Toch lezen we plotseling in Jozua 5: 1-9 dat Jozua het leger besneed en in vers  3 lezen we dat  dit plaats vond op de heuvel der voorhuiden. Dit was notabene een offeren  cultusplaats van de Amorieten. Zien we ook hier niet de heidense rituelen waar het volk naar terug verlangde  ? Opnieuw kon het volk Israël immers maar niet loskomen van de vele rituele gebeurtenissen waar ze zo gewend aan waren geweest. Juist op de Heuvel der voorhuiden waar de heidense rituelen werden gepleegd laat God het verbond zien het welk Hij bij de Sinaï met Zijn volk had gemaakt. En dit was toch wel van geheel ander gehalte dan het besneden zijn. Hij waarschuwde juist voor de heidense uitwassen,en dat het volk een ander en beter verbond bij de Sinaï van Hem had ontvangen.  

Het merkwaardige  is wel dat deze opdracht aan Jozua  tot besnijdenis van het leger,plaats vind na de verbondssluiting op de berg Sinaï en nog wel op een heidense offer en cultus plaats,waar de kinderen door het weg nemen van dat stukje voorhuid, symbolisch werden geofferd aan de goden. Hier werden in wezen al de strijdbare mannen van Israël toegevoegd aan de vreemde goden heerschappij,wat toch een geweldige overwinnen op het legere van God. En deze toevoeging tot de vreemde goden ontdekken we dwars door heel de bijbel heen.

Vele malen is het volk van God buiten de boot van hun zeker wetende geloof gevallen. We kunnen ons zeker afvragen,of ook hier de vreemde goden zich opdrongen door hen te wijzen op de besnijdenis welke zij nog niet hadden ondergaan. Vers 9 wijst ons juist naar het tegenover gestelde. “Ik heb de smaad(zonden)van Egypte van u lieden afgewenteld” Nu kon het volk weer het Pascha vieren.  

En wat en wie zijn eigenlijk de “kinderen Israëls”waar in Jozua 5 over wordt gesproken?Kinderen Israëls zijn alle mensen en leden van dat ene volk,het gaat hier in het geheel niet om een leeftijdsgrens. De besnijdenis was geheel overbodig,maar men heeft dit ritueel gewoon meegenomen. Immers zij behoefden,door de belofte aan Abram, niet besneden te worden. Door Abram behoorden ze reeds bij het volk van God en onder Gods Verbond. Dus zeer zeker niet door de besnijdenis,welke ook nu nog vaak binnen de reformatorische kerken kan doorklinken.  

Als we Ex. 4: aandachtig lezen valt het op dat dit drie verschillende  verhalen zijn die in het geheel niet op elkander aansluiten Het tweede, de verzen 24-26 horen er in het geheel niet tussen. Want wie was die Heer die Mozes trachtte te doden?En wie was eigenlijk die Zippora die een stenen mes nam om  de voorhuid van haar zoon te besnijden?Zippora was de vrouw uit Midian,welke Mozes als geschenk kreeg van een priester uit Midian. Zippora kende maar al te goed de rituelen welke  zij onderleiding van haar vader had leren kennen Deze heer zal zeker niet de Heer van hemel en aarde zijn geweest. Immers ook Midian  was een deelstaat van Egypte en de heer zal zeker één van de goden of te wel handlangers vaan de farao zijn geweest.

Daar het in de genoemde verzen gaat om het besnijden binnen de heidense rituelen had dit de betekenis  om zich voor de aangebeden godheid te reinigen,om er bij te behoren. We zullen het woord besnijden hier moeten vertalen met reinigen. En deze zelfde gedachte zien we dan ook  in Deut. 30:6  waar we lezen” dat de Here uw hart en dat van uw nakomelingen zal besnijden, (reinigen van al het kwaad)zodat gij de Heer lief zult hebben. De Heer zelf het haart en dat van de nakomelingen. Het is God  zelf. Hij  laat hier wel heel duidelijk zien dat de besnijdenis naar het hart geheel iets anders is dan de besnijdenis naar het vlees zoals de vreemde goden leerden. De besnijdenis naar het vlees is niet uit Hem.  

Het gaat bij de besnijdenis uiteindelijk om het innerlijke in de mens. God besnijdt het hart en niet naar het vlees. Hij (be)snijdt als het ware al  het onreine vuil uit de mens. In deze tekst kunnen we concluderen dat  de besnijdenis niet specifiek van God afkomstig zou zijn. Immers  de besnijdenis  was in de tijd een ritueel aan de goden en bij de omringende volkeren een gewoon gebeuren. Men beriep zich bij de goden  er op dat het kind,het welk nog onmondig was,dat het een gezond en vruchtbaar leven zou hebben, het welk een ritueel religieus kantje kreeg. Men wilde door de besnijdenis er zorg voor dragen dat het kind eeuwig onder de hoede van die god zou staan.

Is de doop werkelijk in de plaats van de besnijdenis gekomen?

Zowel Luther als Calvijn, maar ook een Augustinus zagen de doop niet direct als een in de plaats gekomen voor de besnijdenis.  

Als deze vraag met “ja”wordt beantwoordt” zijn we geheel in de lijn van Calvijn en de Heidelbergse catechismus,dus dan wordt er nog steeds besneden.  

Persoonlijk  geloof ik stellig dat ook Calvijn toen hij Colossenzen 2:11 en 12 las. Hier een duidelijk antwoord  meende te ontdekken,waar hij zelf reeds jaren mee overhoop had gelegen. Hij was immers een vurig pleitbezorger van Augustinus. Door al zijn studies zien we dat Calvijn een duidelijke wetenschappelijk onderlegde theologie zich eigen had gemaakt. Dit zien we het duidelijkste in zijn werk Institutie. Ook Calvijn had als oud volgeling van Rome,een duidelijke vervangingstheologie ontwikkeld,maar helaas zijn navolgers hebben zoals ik de institutie lees, de gedachtegang over de besnijdenis en de doop ,totaal verkeerd gelezen en of geïnterpreteerd.  

En dit bleef niet zonder gevolgen. Het was zeker niet toevallig dat er kort na de reformatie reeds scheuringen binnen de kerk kwamen. En laten we in deze het baptisme niet vergeten hetgeen haar geboorte en ontwikkeling kreeg vanuit de reformatie. En ook een persoon als Menno Simons zag de doop niet langer meer als een besnijdenis,maar als een getuigenis op het geloof  dus eerst volwassen belijdenis doen en dan pas de doop. Zowel de Menisten als de baptisten werden juist in dat reformatorische Nederland vervolgd,vandaar de het baptistme vanuit Amsterdam vluchtte naar Amerika. Van daaruit is het baptistme over de gehele wereld verspreidt Z ien we in  Hand. 15: niet  de invloeden van het oude reeds afgedane farizeïsme om terug te keren tot de wetten van Mozes. Ook deze reeds tot geloof gekomen mannen uit het farizeïsme  konden maar niet loskomen van de vreemde goden. Immers bij de laatste ballingschap,had men nog nooit geleerd om zich te distantiëren van die vreemde goden en de gebruiken welke daarbij behoorden. Deze farizeeën,die de wet maar al te goed kenden vielen en vallen onder het fundamentalisme christendom.(het hinken op twee gedachten) Een ieder die het fundament van zijn geloof of ideologie misbruikt valt onder het fundamentalisme. Is het niet juist Paulus, die vanuit zijn oude denken als farizeeër de wetten zo goed kent. Hij waarschuwde de gemeente om niet te vervallen in het denken en leefpatroon waaruit hij door de Heer in Damascus was geroepen. Hij was het immers zelf die ook de wet zo door en door god kende Hij was farizeeër geweest die het volgelingen van de Heer naar het leven stond. Zeker, ook Jezus kreeg bij de geboorte de besnijdenis mee Luc. 2:21.Maar dan komt direct de vraag naar boven,” Als Jezus dan zo’n goede jood was,waarom liet Hij zich dan door Johannes dopen? Hij behoorde immers reeds tot het volk?! Door die doop verwerpt hij de besnijdenis van de joden. Hij stelde het zeker niet ter discussie,maar verwierp het radicaal. Hij verwijst (getuigd)  de mens dat ze om tot het volle leven in te gaan eerst door het waterbad moeten gaan zoals het oude volk door de Schelzee moest door trekken om verlost te worden van al die vreemde goden welke ze plachten te dienen en niet los konden laten. De doop is daarom een getuigenis van het geen de tot geloof gekomen mens,bezielt.
 

In Rom. 2:28 en 29  laat Paulus ons het uiterlijke van de besnijdenis zien,hetgeen slechts als een franje is. Want niet hij is een Jood,die het alleen maar uiterlijk is. Immers ook de kleding van de man garandeert de man nog geen Nederlander. Zo maakt de besnijdenis ,of doop mij nog geen navolger van de Heer .De besnijdenis is slecht wat uiterlijk geschiedt,dus uiterlijke schijn. De besnijdenis is geen garantie om de hemel te beërven. De ware besnijdenis is tot stand gekomen door Gods Geest.  

Ook in  Gal. 6:13 zien we het uiterlijke en hypocriete van de besnijdenis. Er staat duidelijk  Want zij die zich laten besnijden,houden zelf niet eens de wet,doch zij willen dat u zich laat besnijden,opdat zij op uw vlees(lidmaatschap van een kerk) roem kunnen dragen. Hoe meer bekeerlingen de kerk kan boeken hoe beter het zou kunnen worden door de eigen verworven zaligheid.  

Juist Paulus waarschuwde zeker tegen de besnijdenis welke is naar het vlees, maar wijst in Fil. 3:3-5. Hij laat de gemeente zien hoe deze moet leven, werken en wandelen,niet in de franje zodat het een ieder opvalt tot welke parochie wij behoren. En in Col. 2:11 laat hij ons zien dat het geen besnijdenis is met mensen handen gedaan,maar dat we door Gods Geest zijn besneden.(toegetreden tot Zijn gemeente) (bekering)En dat komt tot uiting dat ook gij ( jullie meervoud )  met Christus bent begraven in de doop. In Hem zijt ook gij opgewekt door het geloof aan de werking Gods.  

 Paulus laat ons steeds weer zien wat de eigenlijke besnijdenis is .Hij zegt “wij” zijn de besnijdenis.  

Paulus wijst op de ware besnijdenis  welke niet naar het vlees is geschied.  

 Mat. 3:11 Johannes doopte met water en zegt die na mij komt is sterker dan ik en juist dat dopen is op de belijdenis van de zonden. De doop door onderdompeling is een belijdenis en getuigenis van wat ik geloof. Dat ik door Hem tot de gemeente van gelovigen ben gaan behoren.

 Mat. 3:6. Als het waar is dat de doop in de plaats van de besnijdenis is gekomen moet ik zeggen dat een kind van slechts achtdagen, zich niet bewust is van de zonden en kan dus ook nimmer een belijdenis doen op en over de zonden.  

Luc. 3:21 Zelf hier wordt gesproken over de grote besnijdenis door de geestesdoop. Gods Geest zelf daalde in een duif naar beneden. De gelovige wordt door de bekering gevuld met Gods Geest hand. 2:1-13  

De doop door onderdompeling was ook een getuigenis voor de rondtrekkende mensheid die zich wilden onderwerpen aan de joodse wetgeving. Zij beaamden door die doop de leer van de joden te zullen accepteren en respecteren. Juist op een belangrijke caravan handelsroute staat Johannes het evangelie te verkondigen. Er wordt wel eens gezegd “hij staat maar als een Johannes in de woestijn te roepen . “Hij was een Nazerener,en leefde daardoor in afzondering bv. In de woestijn. we zouden kunnen stellen hij had zich aangemeld om als kloosterling te gaan leven. Ook hij deed aan totale geheel onthouding en was daardoor geheel in gesprek met God. God had van hem de ruimte gekregen om in en door hem te werken. Nou hij was zeker geen dwaas die maar stond te raaskallen. Hij verkondigde de mensen het heil wat opdat moment komende was. Hij laat in zijn prediking duidelijk zien dat die na hem zou komen sterker en beter was dan hij zelf. Niet wetende dat De Messias Jezus reeds onder zijn gehoor was. God door Jezus was zelf aanwezig bij zijn preek in de woestijn.  

In  Rom. 6:3 en 4 De doop door onderdompeling symboliseert de doop( getuigenis van de toevoeging in Christus Jezus) .De zondige mens begraaft symbolisch zijn zonden. Hij is dood geworden voor de zonden,wat niet zeggen wil dat hij nimmer meer tot zondigen in staat zou zijn,alleen mag hij of zij weten dat al de zonden door Christus aan het Kruishout zijn gehangen. Hij is vrij van de schuld. Maar zal dan ook dwars door alles heen er voor moeten waken om zich niet opnieuw een slavenjuk op de hals te halen. Het was niet voor niets dat Jezus de Heer in de Bergrede de toehoorders en volgelingen leert te bidden. Heer help ons om niet opnieuw ons bloot te stellen aan die verlokkelijke verleidingen. De bekeerde mens  heeft een nieuw kleed aangekregen. Door de bekering heeft hij het doodskleed afgelegd. De doop is op de bekering van de zondaar. De doop kan nimmer voor de bekering zijn  geweest. Het is een getuigenis,van er nu bij behoren. Hand. 2:41  8:36; 9:18 .En bekeren kan men alleen maar als men zich bewust is van de zonden. In Handelingen 2 :38=40  laat de schrijver Lukas in Handelingen zien  dat de doop van de volwassenen veel verder reikt dan men aanneemt. Het gaat immers om de omkering van de mens tot het Licht. een ommezwaai van 180 graden. Ook dat  de kinderen van de dopelingen de belofte toekomt. Ook staat er “gij en uw gehele huis zal behouden worden” Wat een belofte!  

Bekeert u en laat u dopen tot vergeving  (belijdenis) van de zonden en gij zult de gave des Heiligen Geestes ontvangen. In Matth.28:19 zien we de ware opdracht van allen die “ja “tegen het Leven hebben gezegd. Het is geen fundamentalistische opdracht  door de mensen tot de kerk en het geloof te dwingen zoals de kerk het in het verleden en ook nog heden vaak plachte te doen .Men nam de tekst Lukas 14:23  waar de eer zeitot de slaaf:” Ga de wegen en de paden op en dwing hen binnen te komen, want mijn huis moet vol worden.”Dit dwingen mogen we nimmer zien als een fundamentalisme hetwelk wij zo goed kennen. Nee dit dwingen is slechts liefdevol zonder enige vorm van geweld. Wij dienen de liefdevolle en genadige God  en kunnen daarom nimmer enige vorm van dwang toepassen. Dit dwingen wat de Heer bedoelde was en is door het eigen leven en werken te getuigen van het geen ons heeft geraakt.  

In de Rooms Katholieke  en  calvinistische kerken was het een heel normale gang van zaken dat men dwang gebruikte  om anderen het eigen geloof op te dringen(kerstenen van de heidenen. We mogen de snelle groei van de Rooms katholieke maar ook binnen reformatorische kerk in de Nederlanden zien in het licht van dit soortige kerstening. Laten we vooral in Nederland niet de vervolging van de Mennonieten (doopsgezinden) niet vergeten te noemen.  

Door deze vorm van kerstening wilde de kerk een macht opbouwen en dat is haar gelukt. Vele heidenen werden met de brandstapel en foltering  tot bekering gedwongen.

De Heer zegt ook tot  oude kerkvaders “getuig door je leven en werken wie en wat “IK “ben. Helaas hadden blijkbaar deze “kerkvaders”niet woord niet verstaan.  

 Dit getuigen wat de Heer bedoelde te zeggen  zien we heel nadrukkelijk afgedrukt in de Bergrede”.Laat maar zien in Wien en wat je gelooft. En vragen ze dan om toch gedoopt te worden,schroom dan niet om hen naar het badwater  Baptisterium te leiden om gedoopt te worden. In Marc. 16:16 staat het zo mooi en duidelijk  “wie gelooft,late zich dopen”dus toch altijd op vrijwillige basis. Er mag dus nimmer dwang worden gebruikt om de ander tot geloof te brengen.

Ook mogen we niet vergeten dat de doop door onderdompeling,niet is een afleggen van de lichamelijke onreinheid,maar juist van de geestelijk onreinheid,welke uit het hart komt. En helaas zijn er dopersen die zeggen dat de doop zaligmakend is. In 1 Petr 3:20 wijst Petrus op Noach,dat er acht mensen door het water werden gered en in 21 geeft hij direct het tegenbeeld”dat “de doop niet een afleggen is van lichamelijke onreinheden,maar een gebed tot God om rein te kunnen leven Dus de doop is tevens een gebed. Immers dwars door mijn zonden en dwalingen heen mag steeds terugzien op de grote belofte welke van God komt. “Stil maar,IK BEN MET JOU” Met andere woorden”door de doop wordt men nog niet gered en komt men niet in de hemel. Als zou men zich twintig keer laten dopen .In tegenstelling tot de Ana baptisten - niet te verwarren met de baptisten. De doop bij iedere baptisten van wat voor kleur hij ook heeft ,is slechts eenmalig en voor altijd. De Ana Baptisten gebruiken de doop altijd als een getuigenis. Willen zij hun zonden belijden dan doen zij dit door de herhaling van de doop.  

Doch Gods belofte is er voor altijd en immer.

Nogmaals kom ik op hetgeen Johannes de Doper zegt “ Ik doop u de doop der bekering, tot afwassing van de zonden,maar die na mij komt …………”En die na hem kwam was de Heer zelf. En dit vervolg ontdekten wij in handelingen 2,waar de Heer Zijn belofte nakomt en de gelovigen doopte met Zijn Geest. Symbolisch  geeft de schrijver van het evangelie Gods Geest weer in een duif en dat is ook niet weer zo verwonderlijk daar ook Noach een duif uitliet en deze terugkwam met een olijftakje bij zich. Het nieuwe leven vinden we door het water heen. Om aan de overkant van het water te komen zal ik er doorheen moeten. Als ik door het water ga,wast dat WATER mij schoon. Door de zwemmende en badende bewegingen word ik gewassen.  Lees hiervoor maar eens  1 Petr 3:13-22 waar we in vers 20 en 21 lezen:Terwijl de ark in gereedheid werd gebracht,waarin weinigen ,dat is acht zielen,door het water heen werden gered. Als tegenbeeld daarvan red u thans de doop,die niet een afleggen  van lichamelijke onreinheid is,maar een bede tot een goed geweten tot God.  

En zie eens  hoe God bezig is met Zijn woord van verlossing en rechtvaardiging door te gegeven. God gebruikt Philipus om een pastoraal gesprek met de kamerling uit Ethiopië  te houden. En dit getuigenis was zo scherp, goed en radicaal dat  deze vreemdeling ook bij dat verbond met de levende God van Israël wilde behoren. In vers 36 zegt die kamerling plotseling tot die eenvoudige profeet van de Heer, “als dat zo is wat je mij daar verteld,waarom zal ik mij dan niet laten dopen en riep het uit “Man zie daar is water, wat is er tegen dat ook ik gedoopt wordt?” En hij liet de wagen stil houden en werd gedoopt op de belijdenis. Ook Filipus gebruikte hier niet het middel van de dwang.

Nee,de kamerling, hij liet niet wat hij hoorde ,eerst eventjes bezinken om er later maar eens verder over te praten. Al de mens werkelijk tot het geloof is gekomen en dat is niet slechts met het menselijk verstand,maar door Gods Geest in het leven toe te laten,dan ontstaat er in de persoon een geweldige verandering. Zien we hier, in onze verbeelding,ook niet de duif met het olijftakje tussen de snavel? Zeker ook deze kamerling zal stellig regelmatig in de verleiding zijn gekomen om zich opnieuw tot zijn vreemde beelden(afgoden) te wenden. Ook hij zal stellig wel eens toegegeven hebben aan al die verlokkelijke verleidingen. Na dit verhaal  lezen wij eigenlijk niets meer over deze grote  vooraanstaande man.  

En toen Philipus zijn roeping(opdracht )had vervuld plaatste Gods Geest deze zendeling en evangelist en zoals men wil pastorale medewerker op een geheel andere plaats. Ja en dit is niet altijd te rijmen met onze menselijke maatstaven. In vele gemeenten van de Heer ontdekken we  dat werkers die tot zegen zijn geweest op die ene plek,daar graag blijven zitten,immers daar hebben ze reeds naam gemaakt. Of men vult er een eigen roeping in de plaats welke God gaf,om dan maar op die plek goed te kunnen scoren.


Bij acute nood kunt u bellen met 06 - 4117 5813.

(niet op zondag tussen 8 en 12 uur)

U ontvangt ten alle tijde zo spoedig mogelijk bericht van de coördinator.