S.O.S. Signaal
Internetpastoraat

Neerwaartse golfbeweging?

Mee op de neerwaartse golfbeweging?

Een persoonlijke kijk op hetgeen in veel evangelische gemeenten aan het gebeuren is en welke lessen daaruit te leren zijn met het oog op de toekomst.

Dat er aanzienlijke problemen bestaan binnen veel evangelische gemeenten in ons land kan, naar mijn mening, meelevende Christenen niet zijn ontgaan. Hoewel de vormen waarin die problemen zich voordoen zeer verschillend zijn, hebben ze als gemeenschappelijk kenmerk, dat ze een negatieve invloed hebben op het functioneren van de plaatselijke gemeenten en uiteraard ook op de persoonlijke levens van veel Christenen. Dit laatste komt tot uitdrukking in de vorm van onvrede, minder betrokkenheid, teleurstelling en - in toenemende mate - in vertrek uit de gemeente. Er wordt over deze problematiek geschreven en er wordt vooral ook veel over gesproken. Hoewel, eerlijkheidshalve moet ook worden gezegd, dat lang niet iedereen het ermee eens is dat het niet goed gaat met deze gemeenten. Er is ook een grote groep evangelische Christenen die niets van ‘grote’ problemen wil weten; het zou slechts gaan om incidenten. Spreken over een ‘serieuze problematiek’ binnen evangelische gemeenten wordt door hen al gauw als ‘negatief gepraat’ afgedaan. Op grond van mijn persoonlijke ervaringen binnen een tweetal plaatselijke gemeenten en hetgeen ik hoor van en lees over wat zich in andere gemeenten afspeelt, is mijn conclusie echter, dat het ontkennen van de problematiek gewoon niet eerlijk is, een soort struisvogelpolitiek is. Het lijkt mij veel beter om de feitelijke situatie eerlijk onder ogen te zien en na te gaan wat er in de loop der jaren fout is gegaan. Uiteindelijk zou zo’n proces kunnen leiden tot een terugkeer naar een situatie die recht doet aan hetgeen God heeft bedoeld met de plaatselijke gemeente.

Veel Evangelische gemeenten zijn goed begonnen

Ik zal niet de enige zijn die soms met enige weemoed terugdenk aan het begin van de gemeente (voor mij eind 70-er jaren). Wat was er een enthousiasme om de Heer te dienen en om de fysieke en geestelijke schouders te zetten onder de ontwikkeling van de gemeente. Er waren leiders met een heldere visie. Wat was het fijn om elkaar te ontmoeten in de zondagse samenkomst. Samen te groeien in lofprijzing en aanbidding. Samen het functioneren van de geestelijke gaven te ontdekken. Na afloop van de samenkomst met elkaar na te praten, te bidden, elkaar te bemoedigen. Wat was er een eensgezindheid en een grote onderlinge liefde. Als één gemeentelid een serieus probleem had, stond praktisch iedereen klaar om te helpen - niet alleen in gebed maar ook met de daad. Het gemeenteleven leek in die periode op hetgeen beschreven staat in Handelingen 2 over die allereerste gemeente. Het leek op hetgeen Jezus voor ogen stond, namelijk dat de gemeente zou functioneren als Zijn Lichaam, als een levend organisme. De mensen waren één van hart en één van zin. En er was groei in aantal: van de enkele tientallen waarmee werd begonnen, groeide de gemeente naar meer dan honderd. Ook dat leek op Handelingen 2: ‘En de Heer voegde dagelijks toe aan de kring, die behouden werden.’ Fijn om met enige nostalgie terug te denken aan die goede tijd…. maar dat geeft al aan, dat ik en met mij veel medechristenen vinden dat de huidige situatie niet meer aan dat beeld voldoet.

Waar begon het mis te gaan?

Ging alles in die eerste fase van de gemeente dan zo volmaakt? Zeker niet. Soms waren er strubbelingen, een verschil van inzicht, onenigheid over het te voeren beleid, het tekortschieten in liefde ten opzichte van elkaar. Maar dat bepaalde niet het beeld van de gemeente. En deze gebeurtenissen hadden ook geen blijvende negatieve invloed op de verdere ontwikkelingen. Persoonlijke relaties werden niet blijvend beschadigd. De visie raakte niet vertroebeld.

Waar ging het dan ‘ergens’ in die de loop van die - zeg maar - eerste tien jaren mis? Een redelijk precies beginpunt is daarvoor niet aan te geven, maar er heeft zich een zeer geleidelijk proces voltrokken van ‘levend organisme’ naar ‘organisatie’. Dat was een proces waarvoor zeker niet bewust werd gekozen. De noodzaak daartoe ontstond min of meer automatisch als gevolg van de groei in aantal gemeenteleden. De organisatievorm die ontstond had de oprechte bedoeling om op een goede manier zorg te dragen voor de groeiende gemeente van Christus. De verantwoordelijkheden van de oudsten werden breder en zwaarder en zij stelden medewerkers aan: diakenen, huisgroepsleiders, bidstondleiders, leiders voor de muziek, de lofprijzing en de aanbidding, voor het jeugd- en kinderwerk enz. Dat alles moest wel ‘aangestuurd’ worden door het beperkte aantal oudsten. Dat betekende vooral veel vergaderen. Er kwamen geleidelijk ook min of meer bindende voorschriften ten aanzien van deelname aan allerlei midweekse activiteiten, trainingen enz. Zo ging de gemeente heel langzaam lijken op een bedrijf dat vanuit de ‘top’, het management, werd aangestuurd. De zondagse eredienst werd vooral een grotendeels vooraf geregisseerd gebeuren ‘rond het podium’ (de spreker) en een goede muziek- en lofprijzinggroep. De leiding van de heilige Geest werd op den duur nog slechts in naam beleden. Het ‘telkens wanneer gij samenkomt heeft ieder iets’ werd vervangen door ‘enkelen hebben alles’. De neiging ontstond de ‘resultaten’ te meten door telling van het aantal ‘zielen’ (hoe vol is de zaal?). Misschien gebeurde er heel subtiel wel iets veel ergers: het enthousiasme in spreken en gedrag was meer gericht op ‘onze gemeente waar het zo fijn is’, dan op Jezus Christus, onze Heer en Heiland. Het is niet verbazingwekkend dat de (top)leiders in de loop van dit proces hun identiteit - zonder zich daarvan bewust te zijn - (deels) gingen ontlenen aan de succesvolle (activiteiten van de) gemeente. Het vorenstaande is wat gechargeerd beschreven om het proces duidelijk te maken.

Was dit het beeld van de gemeente zoals door de Heer bedoeld?

Had de Heer dit eigenlijk zo bedoeld? Ik geloof van niet. Want wordt het gemeente-zijn in Handelingen - en ook in de eerste eeuwen daarna - niet vooral gekenmerkt doordat het als een groot gezin functioneert? Een relatief klein aantal mensen dat elkaar goed kent, dat hun leven en bezit met elkaar deelt, vaak met elkaar de maaltijd gebruikt en dan ook het avondmaal met elkaar viert, dat samen het Woord van God onderzoekt en telkens als zij samenkomen heeft iedereen wel iets bij te dragen. Waren er in die tijd dan geen leiders? Jawel, maar dat waren geestelijk volwassen Christenen, die niet heersten, maar een diep verlangen hadden om te dienen zoals Jezus diende - volkomen en tot in de dood. De identiteit en de autoriteit van die leiders vonden hun basis in Christus. Deze mannen en vrouwen werden nagevolgd omdat zijzelf vol overgave Christus navolgden; ze werden niet nagevolgd op grond van hun functie met daaraan verbonden titel.

De gevolgen van het hiervoor in grote trekken en - nogmaals - wat gechargeerd beschreven proces zijn velerlei. In het algemeen meen ik te mogen stellen, dat de leiders te weinig de wil hebben gezocht van het Hoofd van de gemeente en op grond van eigen rationele of emotionele overwegingen besluiten hebben genomen. Helaas blijken onze eigen goede ideeën lang niet altijd overeen te komen met Gods gedachten.

Ik beschrijf in het navolgende enkele belangrijke oorzaken van de huidige problematieken iets specifieker.

HEERSEND in plaats van dienend LEIDERSCHAP

Met de toename van ‘organisatie’ vond er een verzakelijking plaats binnen de gemeente. De aanvankelijk ‘dienende leiders’ werden steeds meer managers en soms ‘baasjes’. Dat had onder andere een negatieve uitwerking op het geestelijke karakter van die leiders. In een groeiende gemeente worden de ‘succesvolle’ leiders in de ogen van de gemeenteleden steeds belangrijker. De leiders worden ‘naar de ogen gekeken’; als zij fouten maken of zondigen wordt dit al gauw met de mantel der liefde bedekt. De positief kritische houding ten opzichte van hen ontbreekt en wordt zelfs als negatief beschouwd, waardoor correctie spaarzaam wordt. Het zijn sterke benen die die weelde kunnen verdragen… Hoewel dat nooit wordt uitgesproken vinden de leiders diep in hun hart ook wel een beetje dat ze het redelijk goed doen. In dit proces komen ook zaken als openheid en eerlijkheid in het geding. De gemeenteleden worden slechts mondjesmaat geraadpleegd en steeds vaker voor voldongen feiten geplaatst. Zo ontstaat er geleidelijk een klimaat waarin (vooralsnog milde) vormen van manipulatie en ook van intimidatie zich gaan ontwikkelen. Dat manipulatie en intimidatie door hun demonische dimensies voor een gemeente levensbedreigende zaken zijn, wordt meestal niet onderkend; alles gebeurt met oprechte bedoelingen. Als de leiders al door gemeenteleden enigszins kritisch bevraagd worden, wordt dit door hen al gauw als negatieve kritiek opgevat, die zij of naast zich neerleggen of als een aanleiding zien om in de tegenaanval te gaan. Als gemeenteleiders ook nog bekendheid verwerven en de gemeente regionaal of landelijk furore maakt als een ‘succesvolle’ gemeente, is het risico dat hoogmoed binnensluipt groot. Indien in een gemeente feitelijk slechts één leider de werkelijke macht heeft - bijvoorbeeld op grond van zijn charisma - heeft de ramp zich in feite al voltrokken, al wordt dit - naar mijn ervaring - door slechts weinigen binnen de gemeente opgemerkt. Daarbij komt nog, dat deze ‘absolute’ leider veelal naar eigen inzicht andere leiders op alle niveaus binnen de gemeente aanstelt, of althans in die aanstelling de beslissende stem heeft. Op misverstanden te voorkomen: ik ga ervan uit, dat leiders op wie het vorenstaande van toepassing is zich ook zelf niet bewust zijn van het hellende vlak waarop zij zich bevinden. Het is immers een gevolg van een sluipend proces, waarin het rijk der duisternis aanknopingspunten activeert die van doen hebben met de oude zondenatuur (het ‘vlees’) van de leider in kwestie in een situatie waarin de mogelijkheden tot correctie zijn geminimaliseerd. Mogelijk ziet hij zichzelf nog steeds als een bescheiden senior-pastor.

Overigens kunnen de gevolgen van het hiervoor beschreven proces niet uitsluitend toegerekend worden aan de leiders van de gemeente, aangezien elk individueel gemeentelid maar ook alle gemeenteleden gezamenlijk de verantwoordelijkheid hebben hun stem(men) te verheffen indien leiders onbijbelse wegen inslaan. Het is zeker een persoonlijke verantwoordelijkheid van elke Christen zich niet te onderwerpen aan een geest van manipulatie en/of intimidatie! Het maar blijven zwijgen als zaken binnen de gemeente principieel onjuist zijn is naar mijn overtuiging zeker geen blijk van geestelijk gedrag.

Organisatie in plaats van levend organisme funest voor onderlinge relaties

Het hiervoor beschreven proces, waarin ‘organisatie’ steeds belangrijker wordt, heeft ook een negatieve invloed op de relaties binnen de gemeente. Het Evangelie van Jezus Christus betekent in essentie, dat God zich door het zenden van Zijn Zoon, een weg heeft gebaand om ons weer terug te voeren in de relatie met Zichzelf. Als God in Zijn liefde herstel en vervolgens ook een steeds diepere relatie met de mens nastreeft, ligt het dan niet voor de hand dat wij als kinderen van Hem eveneens liefdevolle relaties centraal stellen - met Hem maar ook met de naaste (denk aan het eerste en tweede gebod)? Het uitoefenen van ‘macht’ van het ene gemeentelid over het andere staat haaks op het functioneren vanuit gelijkwaardige relaties. Het ‘alle dieren zijn gelijk, maar sommige dieren zijn meer gelijk dan andere’ (George Orwell in 1984) is duidelijk geen principe van het Koninkrijk van God. Vanuit gelijkwaardigheid mag elk gemeentelid de van God ontvangen gaven en talenten beschikbaar stellen, tot welzijn van het geheel (denk aan het functioneren van het menselijk lichaam). Dat geldt ook voor de gave van leidinggeven. Het uitoefenen van ‘macht’ door één of sommigen, opent bovendien de deur voor manipulatie, hetgeen in feite een vorm van ‘tovenarij’ is. Helaas moet ik vaststellen dat - vaak onbedoeld en door relatief weinigen onderkend - manipulatie plaatsvindt binnen evangelische gemeenten. Dat kan onder meer gebeuren via de prediking, waarbij gemeenteleden verkeerde bijbelse principes krijgen voorgeschoteld, die ze als juist aannemen (‘de voorganger zal het wel het beste weten’) en waarmee de leider een bepaald doel wil bereiken (inlegkunde). Zo komt het voor, dat de leiders van de gemeente ‘hun’ gemeenteleden voortdurend aanzetten tot het deelnemen aan steeds meer activiteiten binnen de gemeente. De gemeente verandert dan van een relatiegerichte in een activiteitgerichte gemeente. De voorganger wordt dan van ‘herder’ (bezig zijn met de schapen) een activiteitenbegeleider, die vooral vanachter de computer de gemeente leidt. Relaties zijn in zo’n situatie alleen dan functioneel, als ze te maken hebben met ‘activiteit’. De door God bedoelde liefdevolle relaties verworden dan tot ‘werkrelaties’, die - net als bij een bedrijf - eindigen als je stopt met werken. Zo is het mogelijk om twintig jaar met iemand samen te werken in de leiding van een gemeente om na beëindiging van die periode te moeten vaststellen dat er nooit sprake is geweest van een echte relatie. Een ding is zeker: God heeft een heel andere opvatting over relaties! Gelukkig maar. Overigens kan manipulatie ook op veel andere manieren gestalte krijgen binnen de gemeente.

ONVOLDOENDE GERICHTHEID OP GEESTELIJKE GROEI

Er is nog een belangrijke oorzaak voor de huidige situatie in veel gemeenten. Door de kwantitatieve groei van de gemeenten, die leidde tot de ontwikkeling van de gemeente van een levend organisme tot een organisatie, was het niet goed mogelijk de opdracht van de Heer om ‘alle volken tot zijn discipelen te maken’ tot uitvoering te brengen. Er was wel een gerichtheid om mensen tot bekering te brengen (vooral door het organiseren van allerlei evangelisatie-activiteiten), maar met het ‘maken tot discipelen’ wist de gemeenteleiding nauwelijks raad. De evangelisatie-activiteiten maakten dat meer stoelen bezet werden in de zondagse samenkomsten door nieuwe, nog ‘vleselijke’ Christenen. De impliciete opvatting was dat ze ‘onder het Woord’ komend, vanzelf wel zouden veranderen naar het ‘beeld en gelijkenis van Jezus’, dus volwassen ‘geestelijke’ mensen zouden worden. Dit is helaas een grote misvatting gebleken. Jonge, nog vleselijke Christenen, groeien niet of slechts beperkt door de zondagse preek. Ook het volgen van een Alpha-cursus of iets dergelijks is onvoldoende om de groei naar geestelijke volwassenheid te bewerkstelligen. De preek en de cursus zijn zeker niet nutteloos, maar er is iets heel anders nodig om iemand tot een discipel te maken. Om te zien hoe ‘discipling’ werkt, kunnen we het beste kijken naar de manier waarop Jezus met zijn discipelen omging: Hij was bijna altijd bij hen, deelde zijn leven met hen, onderwees hen door woord en daad, Hij liet hen ‘oefenen’ en evalueerde met hen enz. Hoeveel tijd brengen de leiders en andere geestelijk volwassenen door met jonge Christenen? Hoe dichtbij laten zij die jonge Christenen komen? Mogen zij in hun leven kijken? Leren zij hen te doen of blijft het bij de overdracht van een flink portie ‘theorie’? Ik ben bang, dat het laatste vaak het geval is, met als gevolg dat nu veel evangelische gemeenten nog vol zitten met ‘vleselijke’ mensen: Christenen, die Jezus wel toegelaten hebben in hun leven, maar Hem nog niet volledig tot Heer van hun leven hebben gekroond, omdat ze min of meer aan hun lot zijn overgelaten. Anders gezegd: er bestaat momenteel in aantallen gezien een wanverhouding tussen geestelijke en vleselijke Christenen binnen veel gemeenten. Naar de mens gesproken is het thans onmogelijk geworden, dat zo weinig geestelijke Christenen zoveel vleselijke Christenen zodanig begeleiden, dat ook zij geestelijke mensen worden. Misschien is dit wel het grootste probleem voor de gemeenten: het grote aantal vleselijke Christenen. Hoeveel baby’s kun je tegelijk opvoeden? Een complicerende factor kan nog zijn, dat in de loop van de jaren ook veel vleselijke Christenen zijn aangesteld als oudsten, diakenen of in een andere vorm van leiderschap. Het probleem van de ‘vleselijkheid’ komt tot uitdrukking in allerlei zaken die te maken hebben met onze oude zondenatuur, waardoor het onderscheid tussen het zijn van ‘een nieuwe schepping in Christus’ en de ongeestelijke mens (de mens zonder Christus) soms nauwelijks herkenbaar is. Anders gezegd: vleselijke Christenen onderscheiden zich vaak niet van mensen van de wereld (die ze vroeger waren). Als relatief veel gemeenteleden nog vleselijk (wereldgelijkvormig) zijn, kan het niet anders of de gemeente gaat ook lijken op de wereld. Het komt mij voor, dat de problematiek van de vele ‘vleselijken’ nauwelijks wordt onderkend.

HET ZOEKEN VAN ‘BOVENNATUURLIJKE’ ERVARINGEN

Het probleem van een relatief te klein aantal geestelijke Christenen is ook pijnlijk tot uitdrukking gekomen in de negentiger jaren van de vorige eeuw, toen veel evangelische gemeenten werden geconfronteerd met een nieuwe beweging van de heilige Geest (ook wel bekend als de Toronto-movement). De scherpe kloof, die in relatief korte tijd ontstond binnen evangelische gemeenten, bracht het te kleine aantal aan geestelijke Christenen pijnlijk aan het licht. Immers wat gebeurde: of hetgeen als een nieuw werk van de heilige Geest werd gepresenteerd werd radicaal afgewezen of het werd zonder enige toetsing omarmd, met andere woorden: het geestelijk onderscheidingsvermogen ontbrak veelal. Daardoor ontstond verdeeldheid en vaak leidde dat tot scheuring. Het is nu eenmaal een gegeven, dat waar God krachtig werkt ook satan actief wordt. Nu, dat is opnieuw bewezen. Zij die zonder toetsing alles wat gebeurde als van God gegeven aanpakten, kwamen soms tot zeer extreme dingen, die in sommige gevallen zelfs demonisch van aard waren. Mensen gingen ‘kicken’ op ‘geestelijke ervaringen’ of althans wat daarvoor doorging…. Achteraf zijn velen hierin teleurgesteld, omdat ze bemerkten, dat deze ervaringen geen blijvende positief-geestelijke uitwerking hadden in hun leven. Zij daarentegen die volslagen tegen het ‘nieuwe’ waren, trokken zich, als gevolg van hetgeen ze veelal hoorden van anderen, terug in een vorm van wetticisme, waarin nauwelijks nog ruimte was voor het werk van Gods Geest. Het gevolg daarvan is, dat momenteel in veel evangelische gemeenten het aantal mensen dat in tongen spreekt of profeteert zeer sterk is verminderd. Eveneens triest. Indien er echter door geestelijke mensen geestelijk zou zijn omgegaan met het nieuwe dat God wilde schenken, zou dit zonder twijfel tot grote zegen zijn geweest voor de gemeenten. Weinig is zo rampzalig, dan wanneer vleselijke mensen aan de slag gaan met geestelijke dingen. Dat is zoiets als een heel jonge baby vast voedsel voeren: de kans dat die stikt in dat voedsel is groot. Leiders die met fijngevoelige voorzichtigheid met door God gegeven nieuwe dingen wilden omgaan, werden soms onder voet gelopen door het grote aantal vleselijke Christenen, die alles wat er lekker uitzag ongeconditioneerd wilden consumeren.

HET NIET ONDERKENNEN VAN NEGATIEVE INVLOEDEN VAN BUITEN

Zoals ik reeds eerder heb gesteld: waar God werkt zal ook satan actief worden. Het bevorderen van wereldsgezindheid is een probate methode van satan, zeker in gemeenten met veel vleselijke Christenen. Satan zoekt dan bij voorkeur naar aanknopingspunten in de oude zondenatuur. De vleselijke staat van een Christen mag weliswaar als een tijdelijk normale, doch tegelijkertijd als een niet van gevaar ontblote positie worden gezien. Het is normaal dat een jong kind ‘jong’ is maar het moet niet zo blijven en gedurende die periode van opgroeien is er extra veel zorg nodig van de ouders om het kind te beschermen tegen allerlei gevaren. Zo is het ook met de jonge, nog vleselijke Christen: er is bescherming nodig tegen veel gevaren die hun oorsprong hebben in het rijk der duisternis. Indien echter de bescherming ontbreekt, bijvoorbeeld omdat er maar weinig geestelijke vaders en moeders beschikbaar zijn die inzicht hebben in het voeren van geestelijke strijd, en er niet bewust wordt gewerkt aan de geestelijke opvoeding en groei, is het niet zo moeilijk voor satan om te infiltreren. Het ontbreken van voldoende positief voorbeeldgedrag binnen de gemeente maakt de positie van jonge Christenen nog kwetsbaarder. De toename van de negatieve invloed van satan in de wereld op allerlei terreinen van het leven, maakt het voor een Christen meer dan ooit noodzakelijk geestelijk zeer vast in de schoenen te staan. Het getuigt van een ongezonde argeloosheid te denken dat de keuze om Jezus te volgen voldoende is om veilig het hemels Jeruzalem te bereiken. Die keuze is een eerste en absoluut noodzakelijke stap, die gevolgd zal moeten worden - met hulp van God en medechristenen - door vele volgende stappen. Binnen de gemeente ligt een belangrijke verantwoordelijkheid om jonge Christenen te helpen groeien in een levende (persoonlijke) relatie met Christus. Dit proces is ook te omschrijven als: de jonge Christen helpen een stevig geestelijk fundament in zijn leven te leggen. Dit fundament is Christus en impliceert ook een terdege kennis van het Woord en de daarin opgenomen geestelijke principes. In het voorgaande heb ik al aangegeven dat het naar mijn inzicht juist heeft ontbroken aan ‘het maken van discipelen’, waardoor het vernieuwend werk van God telkens weer kon worden gefrustreerd.

De onvermijdelijkheid van het proces van ‘opkomst, blinken en verzinken’

De opkomst van en de eerste ontwikkelingen binnen de evangelische gemeenten kunnen zonder twijfel als een vernieuwend werk van God worden gezien. Door de eeuwen heen heeft Hij vernieuwend gehandeld, teneinde te bewerkstelligen dat Zijn werk in deze zondige wereld zou doorgaan. Hij verlaat niet wat zijn hand begon. Na het ontstaan van de eerste Christengemeente, na de uitstorting van de heilige Geest, is er een voortdurende beweging geweest van opkomst, blinken en verzinken van gemeenten (kerken) en van hele kerkgenootschappen (met elkaar verbonden plaatselijke kerken). Denk aan de RK-kerk en aan het vernieuwende werk van God in de Reformatie, waaruit de protestantse kerken ontstonden. Maar ook binnen de protestantse kerken is de cyclus van opkomst, blinken en verzinken zeer herkenbaar. Denk maar aan de vele opeenvolgende ‘scheuringen’ in de loop van de kerkgeschiedenis. De opkomst van de evangelische beweging kan dan ook in historisch perspectief heel goed verklaard worden als de zoveelste vernieuwende golfbeweging geïnspireerd door God, de Waarmaker van zijn Woord: Ik zal Mijn gemeente bouwen. Met andere woorden: mensen mogen er weliswaar elke keer opnieuw een puinhoop van maken door ‘in de Geest’ te beginnen’ en ‘in het vlees’ te eindigen, maar God zelf zorgt ervoor dat de schare die niemand tellen kan te Zijner tijd de hemel zal bevolken! In de loop van de kerkgeschiedenis is steeds weer die golfbeweging van opgaan, blinken en verzinken herkenbaar, maar het valt ook op dat die golfbewegingen steeds korter van duur worden. Vergelijk bijvoorbeeld de lengte van de golf van de RK-kerk met die van de Gereformeerde en de Evangelische. Daarbij is uiteraard niet bepalend of een kerk als ‘instituut’ al dan niet blijft bestaan, maar of het nog een kerk is, die duidelijk de kenmerken vertoont van hetgeen God in het boek Handelingen heeft bedoeld: een geestelijk huis, een heilig priesterschap dat geestelijke offers brengt waaraan God een welgevallen heeft (1 Petrus 2:5). De leden van zo’n gemeente zullen ook ‘logischerwijs’ als een zoutend zout ten opzichte van de wereld werken. Naar mijn verwachting zullen die ‘golven’ steeds korter worden in de (eind)tijd die voor ons ligt.

Het is op zichzelf uiteraard een verdrietige constatering dat wij Christenen telkens weer in de fout gaan, maar met die wetenschap gewapend kunnen we in elk geval meer attent zijn op hetgeen in de gemeente gebeurt en tijdig meegaan op een vernieuwende, door God bewerkte ‘golf’.

Hoe ziet de gemeente in onze tijd er in toenemende mate uit?

Als gevolg van het hiervoor beschreven proces dat zich in zo’n dertig jaar afspeelde, zijn er momenteel niet veel evangelische gemeenten meer, die voldoen aan het oorspronkelijke beeld, waaraan velen met gevoelens van heimwee terugdenken en wat gelijkenis vertoonde met Handelingen 2. Persoonlijk geloof ik, dat de gemeente van vandaag in toenemende mate wordt gekenmerkt door oppervlakkigheid en wereldsgezindheid, onder meer veroorzaakt door het ontbreken van een werkelijke radicale toewijding aan de Heer bij veel gemeenteleden. Ook het gebrek aan kennis en inzicht in het Woord van God is mijns inziens onrustbarend en bij de jeugd ontstellend. Er bestaat nauwelijks nog inzicht in de bedreiging vanuit de geestelijke wereld en het praktisch voeren van geestelijke strijd is dan ook behoorlijk in het vergeetboek geraakt. Ook de onderlinge liefde en het dienstbetoon zijn tanende. De geestelijke gaven functioneren minimaal. Het leiderschap heerst meer dan het dient en lijkt te denken dat veel activiteiten de tekortkomingen kunnen compenseren. Positieve kritiek is niet echt welkom. Het aantal teleurgestelde, vaak zwijgende gemeenteleden neemt toe (de ‘backbenchers’) en sommige van hen verlaten de gemeente. De vijfvoudige bediening (apostelen, profeten, herders, leraars en evangelisten) is niet herkenbaar. Verscheidene van de hiervoor genoemde punten kunnen gelden voor een gemeente terwijl tegelijkertijd de zondagse eredienst nog indrukwekkend is: er wordt nog steeds, begeleid met vrolijk handgeklap, het ‘Heer ik geef m’aan u volkomen’ gezongen… (vaak een leugen). De lijst zou overigens veel langer gemaakt kunnen worden. Het hiervoor geschetste beeld is - ik herhaal het - wat gechargeerd beschreven (mijn ervaring is dat er bij het lezen vaak meer nuancering aangebracht wordt dan zinvol is).        

Is het dan alleen maar kommer en kwel in evangelische gemeenten? God zij dank niet! Ondanks het de hiervoor beschreven degeneratieproces gebeuren er ook nog veel goede dingen: er komen nog steeds mensen tot bekering, er is zeker ook nog bijbelgetrouw onderricht, er zijn nog heel veel toegewijde Christenen die hun medechristenen wel van harte liefhebben enz. (dat geldt trouwens ook voor veel ‘oude’ kerken), maar wat zo erg is: de trend gaat in een andere richting en deze positieve zaken zijn helaas steeds minder beeldbepalend voor de gemeente. Desalniettemin: tel je zegeningen!

Wat zijn de lessen die geleerd kunnen worden uit het vorenstaande?
I. ERKEN DAT JEZUS-ZELF HET GEESTELIJK HUIS BOUWT, NIET WIJ -
HANDEL DAAR DAN OOK NAAR

Jezus heeft gezegd: Ik zal mijn gemeente bouwen (Matth. 16:18). Christenen zijn de geestelijke bouwstenen en moeten zich als zodanig laten gebruiken. Wij gaan in de fout, als wij - hoe goed bedoeld ook - gaan handelen alsof wij de gemeentebouwers zijn, alsof het van onze inzichten en inspanningen afhangt of de gemeente een succes wordt. Het zal op een grote teleurstelling uitlopen (Psalm 127:1). Het lijkt tegenstrijdig, maar door zo te handelen maken wij - onbedoeld - een begin met het proces van ‘verzinken’. Het geestelijk huis wordt namelijk besmeurd met onze goedbedoelde vleselijke activiteiten, waaruit minimaal een gebrek aan geestelijk inzicht tot uitdrukking komt en waaraan in het uiterste geval hoogmoed ten grondslag ligt. God breekt dit volledig af en - wat een wonder - Hij wordt nooit moe om steeds weer een nieuw werk te beginnen. We moeten dus veel Zijn aangezicht zoeken en trachten Zijn wil te verstaan alvorens te handelen. Persoonlijk geloof ik overigens niet, dat God de golfbeweging omlaag toelaat omdat er één of enkele mensen zondigen. Hij doet dat niet op grond van incidenten maar wel omdat Hij op een steeds breder front niet meer wordt erkend in Zijn (bouw)Heerschappij.

II. LEIDERS DIE HEERSEN EN MANIPULEREN SLOPEN DE GEMEENTE
- VOLG HEN NIET NA

Het grootste voorbeeld van ‘dienend leiderschap’ is Jezus zelf. Hij zocht Zichzelf op geen enkele wijze en was in zijn hele wezen erop gericht zijn Vader gehoorzaam te zijn. Daarom was het zoeken van Vaders hart voor Hem als ademen. Hij zei (Johannes 5:19, 30) ‘De Zoon kan niets doen van zichzelf of Hij moet het de Vader zien doen’. Kan Zijn afhankelijkheid van de Vader beter worden omschreven? Hij erkende de heerschappij van zijn Vader volkomen. Van wie of wat zijn wij afhankelijk? Iedere Christen zal op die vraag wel het juiste (sociaal wenselijke) antwoord geven, maar zoals helaas zo vaak: onze woorden sluiten niet aan op onze daden. Het is niet voor niets dat in de Bijbel zo wordt benadrukt, dat vooral uit de gehoorzame daden blijkt of onze woorden waarheid zijn. Ze zullen er ongetwijfeld zijn, maar persoonlijk heb ik nog nooit een gemeenteleider meegemaakt, die eerlijk en duidelijk de door hem gemaakte fouten erkende en daarvoor vergeving vroeg. Dat wordt kennelijk gezien als een zwakte die zou kunnen leiden tot een aantasting van hun gezag. In toenemende mate antwoorden leiders ook niet meer op inhoudelijke vragen die hen worden gesteld over bepaalde zaken die in de gemeente spelen. Gemeenteleden worden zo als onmondigen neergezet. Leiders die zich niet meer laten bevragen door gemeenteleden, die geïrriteerd reageren bij (vermeende) kritiek, die het niet echt belangrijk vinden veel met gemeenteleden in contact te zijn en naar hen te luisteren, bevinden zich op een hellend vlak. Wel heb ik relatief vaak leiders zichzelf horen rechtvaardigen - soms ook in de zondagse preek of in een gebed. Hoe dat zo kan gebeuren? Het antwoord op die vraag is niet zo moeilijk: wij houden niet zo van een ‘verbroken en verbrijzeld hart’ en wij tonen niet graag onze zwakten, ons falen. We willen niet ‘afgaan’ in de ogen van hen die naar ons opzien. De minste zijn ligt ons van nature niet. ‘Sorry’ zeggen gaat ons al tamelijk ver. Veel leiders zijn niet werkelijk verbroken van zichzelf. Misschien in een goede geestelijke houding begonnen, worden zij, door een dienende en nederige houding te vervangen door een heersende en manipulerende, uiteindelijk de slopers van (een stukje van) het geestelijk huis. De ‘show’ rond het podium is dan misschien nog steeds heel indrukwekkend, terwijl het sloopwerk al in een ver gevorderd stadium is. Ik bedoel daarmee te zeggen dat het geestelijk onderscheidingsvermogen om het proces dat zich voltrekt te herkennen bij velen ontbreekt. De enige remedie om het tij dan nog te keren is echt berouw, openlijk belijden van zonden, verootmoediging en bekering. Bij mijn weten komt dit helaas in het proces van verzinken van een gemeente hoegenaamd niet voor. Daar waar het echter gebeurt zal God zeker vergeving en herstel geven. Het deel blijven uitmaken van een gemeente waar zaken als manipulatie en heersen over elkaar steeds meer deel gaan uitmaken van de ‘geestelijke cultuur’, is niet zonder gevaar. Mijn advies in zo’n situatie is: beschouw het niet als vanzelfsprekend om op die plaats te blijven maar zoek Gods aangezicht voor leiding om tot een bewuste keuze te komen.

III. GOD ZOEKT VOOR BEDIENINGEN IN DE GEMEENTE
MANNEN EN VROUWEN NAAR ZIJN HART

Voor het dienen in Zijn gemeente zoekt Jezus niet naar mensen met geweldige capaciteiten op het leidinggevende vlak (bijvoorbeeld: managers van bedrijven), hoger opgeleiden, charismatische mensen die indruk maken als ze spreken, wetenschappelijk opgeleide theologen enz. De geschiedenis leert echter wel, dat vooral mensen met dit soort kwalificaties terug te vinden zijn in de gemeenteleiding als voorganger of oudste. Maar God laat in de Bijbelse geschiedenis zien, dat de genoemde kwalificaties voor Hem geen aanleiding vormen ons aan te stellen in een taak of bediening in Zijn gemeente. Sterker nog: Hij moet soms onze eigen bekwaamheden volkomen afbreken, alvorens Hij met ons aan de slag kan gaan. Zo brak Hij de natuurlijke bekwaamheid (opleiding en opvoeding) van Mozes volkomen af gedurende zijn woestijntijd van 40 jaar. Mozes had geen enkel vertrouwen meer in zijn eigen bekwaamheden toen God hem riep. Zelfs het spreken durfde hij niet meer aan. Van de prins van Egypte was niet meer overgebleven dan… een mens die alleen nog maar op God kon vertrouwen en dan nog met knikkende knieën. Zo werd hij echter wel een vriend van God. De Bijbel en de geschiedenis sindsdien geven veel meer voorbeelden op dit punt. Dit laat zien wat Gods norm is voor dienaren in Zijn gemeente. God zoekt het soort mensen dat verbroken is van zichzelf. Maar zij worden alleen verbroken door strijd en lijden heen; het gaat niet zonder lidtekens op te lopen. Het zijn nederige mannen en vrouwen die open staan voor elke vorm van correctie door welk gemeentelid dan ook. Net als Jezus zelf willen zij maar één ding: dat God later tegen hen zal zeggen: ‘Welgedaan gij getrouwe slaaf!’. Moet dat ook voor ons niet het enige zijn wat echt telt?

IV. GOD IS RELATIEGERICHT – WIJ MOETEN DAT DUS OOK ZIJN

Vanuit het door Hemzelf geïnitieerde relatieherstel met de mens, wil God die relatie met de zijnen voortdurend verdiepen. Het gaat Hem er daarbij niet op de eerste plaats om, dat wij voor Hem zullen gaan werken; het gaat Hem om onszelf, om wie wij zijn. Hij houdt van ons als zijn kinderen. Dat een verdieping van die relatie ertoe leidt, dat wij meer en meer bruikbaar worden en dat tegelijkertijd het verlangen om Hem te dienen in ons groeit, is een logisch gevolg, maar geen doel in zichzelf. Om een bijbels beeld te gebruiken: de enige ‘zorg’ van de rank is, zo hecht mogelijk verbonden te blijven met de wijnstok; de vrucht ontstaat dan logischerwijs en er is geen inspanning van de rank voor nodig. De rank behoeft derhalve ook niet op vrucht gefixeerd te zijn. De activiteitgerichtheid van veel huidige gemeenteleiders doet afbreuk aan dit in Johannes 15 gepresenteerde principe, en leidt gemakkelijk tot een heel andere principe, namelijk: een goede gemeente is een gemeente die bruist van de activiteiten en een goed gemeentelid is (dus) iemand die deelneemt aan veel gemeenteactiviteiten. Een meer dan subtiele omdraaiing van hetgeen God bedoeld heeft. Hij zoekt een relatie die zich zodanig verdiept, dat die persoon uit liefde de goede werken gaat doen die God tevoren bereid heeft voor die persoon om daarin te wandelen (Efeziërs 2:10). Mogelijk hebben die door God bereide ‘goede werken’ niet veel van doen met de gemeenteactiviteiten die de voorganger wilde ontplooien. Misschien vraagt God iemand om in stilte veel te bidden, misschien vraagt Hij iets heel anders. Geeft de gemeenteleiding die ruimte aan gemeenteleden? Of worden de relaties met de leiders negatief beïnvloed door het niet meedoen aan die activiteiten? Een door de gemeenteleiding gestimuleerde activiteitgerichtheid kan ook een vorm van manipulatie zijn, omdat daarmee gecommuniceerd wordt, dat uit het volgzaam meedoen in die activiteiten een zekere garantie ligt dat je een goede Christen bent. Uit Handelingen 2 blijkt - en dat principe heeft zich nog eeuwen na Christus voortgezet - dat de gemeente bestaat uit mensen die een relatie met elkaar hebben. Niet alleen ‘in Christus’ maar ook op het ‘horizontale vlak’. Ze trokken met elkaar op, ze gebruikten vaak samen de maaltijd en vierden dan ook het avondmaal, ze zorgden voor elkaar (er heersten schokkende principes over ‘bezit’), ze namen veel tijd om samen te bidden en het Woord te onderzoeken en allemaal hadden ze een inbreng tijdens die samenkomsten. In al die elementen speelt ‘relatie’ een belangrijke rol. Het is dus de vraag in hoeverre samenkomsten waarbij het element ‘horizontale relatie’ (grotendeels) ontbreekt, centraal gesteld moeten worden binnen het functioneren van de gemeente. Met andere woorden: de kern van een plaatselijke gemeente zou moeten bestaan uit kleine groepen, terwijl nu in de praktijk de zondagse samenkomst als de kern van het gemeente-zijn wordt gezien en beleefd. De voorganger is in het gangbare gemeentemodel de eindverantwoordelijke leider; de man met (soms bijna) onaantastbare autoriteit, ondanks het feit dat hij deel uitmaakt van een oudstenteam. Vaak is de voorganger de man met de meeste charismatische uitstraling, of is hij de gemeentestichter. In sommige evangelische gemeenten wordt dit ‘de man met de mantel’ genoemd (denk aan de mantel van Elia, die neerdaalde na zijn opname, waardoor een dubbel portie van de zalving van Elia op Elisa kwam – 2 Koningen 2) en ook wel ‘de punt van de pijl’. Dit soort benamingen worden gebruikt, om de absolute macht van een leider aan te duiden en te rechtvaardigen. Hiervoor is echter naar mijn gevoelen niet een goede Nieuwtestamentische onderbouwing te geven. Juist ‘samen met alle heiligen’ kunnen wij God en Zijn wil beter leren kennen. Met andere woorden: je hebt elkaar als Christenen hard nodig om dicht bij Hem te blijven en Zijn wil te verstaan. Het is begrijpelijk, dat iemand die in zo’n bijna absolute machtspositie wordt bevestigd, in mindere mate zal openstaan voor correctie. Gemeenteleden die worden geroepen om de gemeente te dienen in het leidinggeven (het is een gave van God volgens 1 Korintiërs 12:28), zullen dat alleen kunnen doen in een nederige houding en vanuit liefdevolle relaties met andere leiders en alle gemeenteleden.

V. BESCHOUW DE GEMEENTE ALS EEN LEVEND ORGANISME, NOOIT ALS EEN ORGANISATIE

Hiervoor is reeds het proces beschreven waardoor de gemeente is gedegenereerd tot een organisatie, met een hiërarchische organisatievorm, die veel weg heeft van die in een bedrijf. Een ‘ouderwets’ bedrijf wel te verstaan, want binnen veel moderne bedrijven wordt tegenwoordig met teams gewerkt die - uiteraard binnen zekere kaders - een hoge mate van zelfstandigheid hebben. De gedachte hierachter is, dat mensen heel goed als team - beschikkend over een goede mix van kennis en ervaring - verantwoordelijkheid kunnen dragen voor een goede uitvoering van bepaalde taken. In de praktijk blijkt dat in veel gevallen goed te werken. Voor het management is echter het aanvaarden van de (deel)verantwoordelijkheid van ‘zelfsturende teams’ niet altijd even gemakkelijk, omdat dan deels het roer uit handen moet worden gegeven (delegeren van bevoegdheden naar lagere échelons in de organisatie vraagt vertrouwen geven). Interessant is, dat in zulke bedrijven feitelijk een Bijbels principe wordt toegepast. Samenwerken en samen verantwoordelijkheid dragen is iets waartoe God ons in zijn Woord aanmoedigt en oproept. Hierbij wordt als voorbeeld het menselijk lichaam gegeven: alle geledingen zijn nodig om het lichaam goed te laten functioneren. Kan de voet zeggen dat hij belangrijker is dan de hand? (1 Korintiërs 12) Welk lichaamsdeel kan de pretentie hooghouden dat hij het belangrijkst is? Alleen samen vormen zij een compleet, goed functionerend lichaam. Zo zijn ook alle gaven en bedieningen nodig om het lichaam van Christus, de gemeente, goed te laten functioneren. In de hedendaagse praktijk wordt de gemeente echter meer in stand gehouden door een bepaalde gezagsstructuur (bijvoorbeeld: voorganger, oudsten, diakenen, huisgroepsleiders, gemeenteleden). De Bijbel leert echter dat dit behoort te gebeuren ‘door alle geledingen’ van het lichaam (Efeziërs 4:16), waarbij God mensen allerlei geestelijke bedieningen geeft (onder meer die van het leidinggeven) om het Lichaam te dienen. Besluiten binnen de gemeente moeten dan ook bij voorkeur zoveel mogelijk genomen worden met gebruikmaking van de gaven en talenten die God aan gemeenteleden gegeven heeft, in openheid en eerlijkheid. Overigens kan dit alleen zo functioneren binnen een relatief kleine groep gelovigen.

vi. Eenvoud is het kenmerk van het ware, ook in de eredienst

We leven in een wereld waarin uiterlijk vertoon een belangrijke rol speelt. ‘Kleren maken de man’ is een uitspraak die de meesten van ons wel kennen. Het is een typerende leugen van een wereld zonder Christus. Die leugen heeft het leven van veel mensen doortrokken en is onder meer bepalend voor het koopgedrag (meedoen aan trends en hypes). Het willen bezitten wat anderen ook hebben, of liever nog: iets mooiers. Dat geldt ook voor veel Christenen. Het Schriftwoord ‘Maar gij geheel anders, gij hebt Christus leren kennen’ lijkt nauwelijks invloed daarop te hebben. De enorme welvaart heeft ons tot verwende mensen gemaakt: het beste is vaak nog niet goed genoeg. Ook in de gemeente speelt dit een rol. Onder meer bij de jeugdsamenkomsten (het moet een beetje lijken op de wereld anders komt de jeugd niet meer), maar ook in de zondagse eredienst. Zo lijkt het er op, dat veel evangelische Christenen de kwaliteiten van de spreker, de lofprijzinggroep en de band belangrijker gaan vinden dan de geestelijke inhoud. Met dit laatste bedoel ik dat het in die samenkomsten vooral zou moeten gaan om vragen als: wat zegt de Heer vanmorgen tegen ons als gemeente door zijn dienstknecht - of hij nu een begaafd spreker is of niet - en hoe reageren we erop? Dragen de aanbiddingsleider en de muzikanten er werkelijk aan bij ons dichter in de gemeenschap te brengen met onze Heer en Heiland? Met betrekking tot dit laatste punt zouden we ons de vraag kunnen stellen: waarom zouden we eigenlijk zonder goede muziekgroep de Heer niet kunnen aanbidden? Er is overigens niets mis met een goede (geestelijke) aanbiddingsleiding en -begeleiding, maar het is niet denkbeeldig dat hetgeen wij tegenwoordig onder aanbidding verstaan, iets anders aan het worden is dan wat God daarmee bedoelt. Het kan gemakkelijk een uiterlijk vertoon worden, dat er vooral toe leidt, dat wijzelf er een fijn gevoel aan overhouden. Wat ik bedoel te zeggen is: laten we het in de eredienst eenvoudig houden, niet onszelf zoeken te bevredigen, maar heel sterk gericht zijn op de Heer. Laat een eredienst vooral eerlijk zijn. Laten de liederen die we samen zingen waarheid zijn in onze persoonlijke levens (dus vooral een aanbiddend leven leiden).

vii. Bevorder geestelijke groei van jonggelovigen en help hen hun geestelijke gaven te leren kennen

In het voorgaande is al aangegeven, dat de onvoldoende persoonlijke geestelijke groei van gemeenteleden een bedreiging kan vormen voor de gemeente van Christus. De volwassen (geestelijke) Christenen zijn dan ook geroepen om jonge (nog vleselijke) Christenen te helpen in hun groeiproces. Dit is een zeer onderschatte taak. Te gemakkelijk wordt gedacht dat een speciale cursus voor jonggelovigen wel voldoende is. Het is waarschijnlijk dichter bij de waarheid ervan uit te gaan dat de groei naar geestelijke volwassenheid een proces is dat om een intensieve begeleiding vraagt, soms gedurende enkele jaren. Jezus zelf trok drie jaar met zijn discipelen op. Het verdient dus grote aanbeveling om deze roeping (Maak alle mensen tot Mijn discipelen) zoveel mogelijk in de praktijk te brengen op de wijze waarop Jezus dat deed: Hij bracht veel tijd met zijn discipelen door, onderwees hen persoonlijk en liet ook zien hoe het geleerde in praktijk te brengen. Het zou een goede zaak zijn, dat een volwassen Christen als een geestelijke vader (of moeder) zou willen fungeren voor een bekeerling, totdat volwassenheid is ontstaan. Bij geestelijke volwassenheid hoort het leren verstaan van Gods stem alsmede het leren kennen van de hem of haar geschonken geestelijke gaven. Nogmaals: dat kan niet worden gerealiseerd door het geven van een groepscursus. De gevolgen van zo’n benadering zijn momenteel zichtbaar in veel gemeenten. We zullen veel tijd moeten investeren in jonge Christenen en hen op persoonlijke wijze dienen te begeleiden. Een bijzonder aspect hierbij is dat soms ook ‘dieptepastoraat’ nodig is doordat bekeerlingen zich in hun ‘oude leven’ met allerlei occulte praktijken hebben beziggehouden; anderen zijn ernstig beschadigd door traumatische ervaringen enz. Zonder innerlijke genezing en bevrijding van demonische gebondenheden zal de geestelijke groei belemmerd blijven. Daarom behoort er binnen een gemeente ruimte te zijn voor de ontwikkeling van bedieningen op het vlak van bevrijding van demonische invloeden, genezing van herinnering enz. In verband met de veelheid van occulte invloeden in de wereld waarin wij leven is het niet goed te begrijpen, dat zo weinig volwassen Christenen op de hoogte zijn van het in de praktijk hanteren van de geestelijke wapenrusting (Efeziërs 6) die God ons als een bescherming heeft gegeven.

viii. Blijf als gemeente onbesmet van de wereld

Een belangrijk Bijbels thema is de persoonlijke levensheiliging. Daarbij gaat het erom, dat Schriftwoorden zoals ‘Maar Gij geheel anders, gij hebt Christus leren kennen’ een steeds groter praktijkgehalte krijgen in ons leven. We spreken dan over het proces van heiligmaking, waarin we steeds meer groeien naar ‘het beeld en de gelijkenis van Christus’. Het lijkt mij van groot belang, dat het gemeenteleven daarbij een sterk stimulerende functie vervult. Dat betekent onder meer, dat binnen de gemeente kordaat wordt omgegaan met binnendringende wereldse zaken zoals: geklets en geroddel, onrechtvaardigheid, leugen, liefdeloosheid, egoisme en dergelijke. De leiders en alle gelovigen met hen, vervullen een voorbeeldfunctie ten opzicht van hen die nog moeite hebben die wereldse zaken uit hun leven te bannen. De gemeente moet een plaats zijn die veel meer lijkt op de hemel dan op de wereld waarin we leven.

We hebben geestelijk onderscheidingsvermogen nodig

Als je het vorenstaande op je laat inwerken kun je gemakkelijk overvallen worden door een gevoel van hopeloosheid. Enerzijds om de ellendige situatie zoals die zich aftekent, maar anderzijds wellicht ook, omdat de geestelijke uitdaging waarvoor de Heer ons plaatst zo groot is, dat we ons afvragen: is er eigenlijk wel één gemeente te vinden die voldoet aan Gods plan. Mijn reactie daarop is: inderdaad, de geestelijke situatie in veel evangelische gemeenten in de westerse wereld is aan het verslechteren, de neerwaartse beweging van de golf is onmiskenbaar, maar desondanks werkt God ook daar nog. Belangrijker is echter dat we ons diep realiseren: God gaat door! Hij is getrouw en stopt niet met het werk dat Zijn hand op de Pinksterdag met de gemeente is begonnen. Al falen wij, Zijn plannen falen nooit. Het bewijs daarvan wordt geleverd door de geschiedenis heen. Ondanks al ons falen bestaat de gemeente van Christus nog steeds! In sommige werelddelen is de gemeente zelfs heel vitaal. Uitgaande van de realiteit van de golfbeweging omlaag in ons deel van de wereld, kunnen we er zeker van zijn, dat God een nieuwe ‘golf’ bewerkt, waardoor Zijn bouwwerk, de gemeente, verder gebouwd wordt. Zijn perspectief daarbij is ongetwijfeld het beeld uit Openbaringen 19. De gemeente is daar tot volheid gekomen en wordt voorgesteld als een vrouw die zich heeft gereedgemaakt voor de bruiloft. Dat is waar Jezus naar verlangt en wij met Hem. Bij alles wat gebeurt met en rond de gemeente in onze tijd, mogen wij in geloof (zekerheid) ons oog op die heerlijke toekomst gevestigd houden.

Die nieuwe golf herkennen is - geloof ik - een van de grootste uitdagingen voor de Christenen in deze tijd. Er is geestelijk onderscheidingsvermogen nodig om niet op een pseudo nieuwe golf mee te gaan, maar op een golf die door God bewerkt is. Bestaat de door God bewerkte nieuwe golf wellicht uit ‘huiskerken’, kleine groepen naar het beeld van de eerste Christengemeenten uit Handelingen en de twee eeuwen daarna, of openbaart God (ook) andere wegen? We moeten trachten Zijn wil te verstaan en de uitkomst daarvan zeker ook toetsen aan zijn Woord. De gemeente waarnaar God verlangt, zal in elk geval de kenmerken van de eerste Christengemeente vertonen. De gemeenteleden van toen hielden van elkaar, ze vormden een eenheid en dienden elkaar met hun bezittingen, ze kwamen veel bij elkaar over de vloer en onderzochten het Woord, ze aten met elkaar en vierden dan ook het avondmaal, ze baden met elkaar en loofden samen God en ze droegen allemaal wat bij in de samenkomsten. De kracht van de heilige Geest was aanwezig en werkzaam en God voegde toe aan het getal van degenen die behouden waren. Dat is het plaatje van de gemeente dat God getekend heeft. Als een of meer van de genoemde elementen niet meer herkenbaar zijn, moet er een rode lamp gaan branden in de gemeente: we komen dan in de gevarenzone. Iedereen moet de schakelaar van die lamp mogen omzetten om vervolgens samen - als geroepen heiligen – biddend de wil van de Heer van de gemeente te zoeken.

 
Met een mengeling van verdriet en verwachting de toekomst tegemoet

Een moeilijk aspect van de golfbeweging is, dat veel Christenen achterblijven op de neergaande beweging. Ze onderkennen de signalen niet en worden misschien door anderen niet gewaarschuwd of menen oprecht dat het zo’n vaart niet zal lopen, dat de problemen tijdelijk zijn en overdreven worden voorgesteld. Ze zien wel mensen vertrekken uit de gemeente maar vragen zich niet af wat er werkelijk aan de hand is. Ze zien wel mensen - soms ook ex-leiders - geleidelijk aan opschuiven naar de achterste rijen in de zaal, maar het verontrust hen niet echt. Het zijn Christenen, die oprecht menen dat ze binnen die gemeente op de juiste plaats zijn en ze blijven daar dan ook. Toch is hun situatie niet van gevaar ontbloot, omdat - naarmate het proces verder gaat - zij het risico lopen meegezogen te worden, steeds verder weg van Gods plan. Wees alert: de negatieve invloed op het geestelijk leven van een Christen die verkeert in een situatie waarin geesten van manipulatie en intimidatie werkzaam zijn, kan niet gemakkelijk overdreven worden…

Zij die meegaan op een nieuwe opwaartse golfbeweging hebben een positiever perspectief: ze komen in een fase van hernieuwde toewijding aan de Heer en aan elkaar in een frisse nieuwe omgeving. Zij hebben wellicht eerst genezing nodig met betrekking tot de periode die ze achter zich hebben, om hetgeen hen - zo wordt het gevoeld - is aangedaan. Hebben ook pijn en verdriet om hen die ze moesten achtergelaten - Christenen waarmee ze misschien lang schouder aan schouder hebben gestaan … Maar daarnaast is er ook een nieuw enthousiasme om samen verder te gaan; zich als levende stenen te laten gebruiken voor de bouw van een geestelijk huis. Ze mogen genieten van de hernieuwde beleving van eenheid en onderlinge liefde, zoals door God bedoeld. Maar ze zullen dit - zeker in de beginperiode - doen met een mengeling van verdriet en verwachting. Ze zijn door alles heen een beetje wijzer geworden. Ze beseffen meer dan ooit, dat ze niet in staat zijn ‘met de hulp van God’ Zijn gemeente te bouwen. Nu moeten ze een stap verder gaan dan vroeger en zeggen, belijden: ‘Wij kunnen het niet! Nu niet en nooit. U moet het echt helemaal doen Heer! Verheerlijk Uzelf Heer, in en door de gemeente!’ Indien ze dit met mond en hart belijden en er ook naar handelen, is er de zekerheid dat ze meegevoerd worden op de nieuwe opwaartse golfbeweging die God bewerkt.

Jan Bezemer


Bij acute nood kunt u bellen met 06 - 4117 5813.

(niet op zondag tussen 8 en 12 uur)

U ontvangt ten alle tijde zo spoedig mogelijk bericht van de coördinator.